Roeping

Overdenking, Adventskerk Aerdenhout
Gelezen 1 Samuel 3, 1-10 en Marcus 1, 14-20

Over roeping, geroepen worden, je geroepen voelen gaat het vanmorgen. Wij denken bij roeping graag aan iets heel speciaals. Meestal aan een geestelijk ambt. En bij een geestelijk ambt, ouderling, diaken of predikant denken we al gauw dat het God is die roept. Het is mooi om dat zo te geloven, maar ook zwaar. En daarmee zetten we een roeping veilig op afstand.  

Je kunt je ook geroepen voelen om iets te doen vanuit een belang dat jouw individuele belang overstijgt. Een moreel besef, humaniteit, rechtvaardigheid, naastenliefde… Je kunt je geroepen voelen om je in te zetten voor vluchtelingen. Voor mensenrechten bijvoorbeeld via Amnesty International. Voor mensen die getroffen zijn in oorlogsgebieden, denk aan Artsen zonder grenzen of het Rode Kruis. Je kunt je geroepen voelen om je in te zetten voor een leefbare aarde, om de klimaatverandering tegen houden… En het hoeft ook niet zo groot te zijn. Je kunt je geroepen voelen om je in te zetten voor een buurvrouw die wat hulp nodig heeft. Er is iets in je, een stem, een gevoel, een zeker weten dat je een bepaalde richting op stuurt. 
Iets of iemand doet een appèl op je.

Dat gevoel van roeping van een appèl dat wordt gedaan kreeg ik van de week bij de toespraak van de premier van Canada op het world economic forum in Davos, Mark Carney. Hij waarschuwde de aanwezigen nog maar eens dat onze vertrouwde wereldorde niet meer terugkomt. Onze op regels gebaseerde wereldorde is aan het wankelen. We bevinden ons in een breuk, niet in een overgangsperiode. Dat geeft een onmachtig en angstig gevoel. Maar Carney sprak ook hoopvolle, inspirerende woorden.
Hij verwees in zijn toespraak naar een verhaal van de Tjechische dissident, politicus, premier Vaclav Havel. 

Havel schreef een essay in 1979 over de vraag: hoe kon het communistische systeem zichzelf in stand houden? Het antwoord van Havel begon met een groenteboer. 
Elke ochtend hangt deze winkelier een bordje in de etalage. Arbeiders van de wereld verenigt u! Hij gelooft het zelf niet. Niemand gelooft het. Maar hij hangt het bordje toch op om problemen te voorkomen. En omdat elke winkelier in de straat hetzelfde doet, blijft het systeem bestaan. Maar als één persoon stopt met handelen, als de groenteboer zijn bordje weghaalt, begin de illusie barsten te vertonen.

Carney riep bedrijven en landen in zijn toespraak op om hun borden weghalen. Om niet meer mee te gaan, mee te buigen in de hoop dat volgzaamheid veiligheid zal brengen. Om te bouwen aan een nieuwe wereldorde. Gebaseerd op waarden en niet op macht. Waarden zoals mensenrechten, duurzame ontwikkeling, solidariteit, soevereiniteit en territoriale integriteit van staten. Ik had het gevoel dat hij met zijn woorden de wereldleiders aanspraak op hun roeping. Om op een integere manier leiding te geven. Niet uit eigen belang maar in het algemeen belang. Ze voelden zich in elk geval geroepen want Carney kreeg een staande ovatie.

Roeping…
Het is niet altijd duidelijk wie of wat een beroep op je doet  Dat blijkt wel uit het verhaal van vanmorgen. Samuel weet niet dat God hem roept. Hij hoort een stem en antwoordt “hier ben ik”. Hij denkt dat Eli hem roept, en dus staat hij op en zegt dan tegen Eli: Hier ben ik, U hebt me toch geroepen?

Het zal vaker zijn voorgekomen dat Eli hem roept…Tot twee keer toe blijkt dat Eli niet heeft geroepen en pas dan daagt het bij Eli dat het God is. Door de herhalingen, de vertraging in het verhaal maakt de verteller ons duidelijk dat het niet vanzelf gaat. Een roeping moet rijpen las ik ergens. 

Je kunt je geroepen voelen, je kunt een roeping voelen maar belangrijk is ook dat je daar antwoord op geeft. Dat je er iets mee doet, met dat stemmetje dat je blijft plagen.
Roeping vraagt om een antwoord. Om navolging.

Zoals die leerlingen in het evangelieverhaal.
Ik heb het altijd een prachtig verhaal gevonden van Jezus die langs het water liep en Simon en Andreas riep. Dat komt ook wel door dat lied dat zo in je hoofd blijft hangen …. om zo maar zonder praten hun netten te verlaten. En wat goed dat die vissers dat ook deden. Als hij het aan mij zou vragen, zou ik het ook doen?

Maar er zit ook een andere kant aan het verhaal. Want iemand volgen, een charismatisch leider, zonder vragen te stellen – zonder praten! –  alles achter je laten om iemand te volgen? Daar zien we toch slechte voorbeelden van. Denk allerlei autocratische politieke leiders, religieuze leiders… We hebben toch juist behoefte aan mensen die wel vragen stellen? 

Jezus legt niets uit en die leerlingen stellen geen vragen. Wat bezielde die leerlingen eigenlijk? Die Simon was toch getrouwd? En Jacobus en Johannes, die hadden een familiebedrijf, ze laten hun oude vader toch maar mooi met die dagloners zitten. Hoe wisten ze zo zeker wie hij was, dat hij, Jezus het was? 

Bedenk Markus heeft het verhaal achteraf opgeschreven. Achteraf, gaandeweg, Jezus volgend op zijn weg, zijn de leerlingen, de volgelingen tot het inzicht gekomen dat Jezus de Messias is, zoon van God. Dat in hem het koninkrijk van God, de toekomst van God daagt, nabij is gekomen. En vanuit dat geloof schrijft Marcus zijn evangelie. 

Vanuit dat geloof, met die bril op moet je dit evangelie lezen. Markus schrijft zijn evangelie voor zijn gemeente, voor ons, als aansporing. Hij wil ons overtuigen, oproepen om net als die leerlingen Jezus te volgen. 

Nu weten wij ook wel dat het die leerlingen niet altijd zo geweldig afgaat. Regelmatig lezen we dat Jezus zijn leerlingen bij de les moet houden. En zo radicaal was hun keuze nu ook weer niet want ze gaan ook wel weer gewoon aan het vissen. En ze laten ook hun familie niet achter zich, want Simon roept Jezus erbij als zijn schoonmoeder ziek is.
Maar toch…

En wij?
Geloven wij dat in Jezus het koninkrijk van God nabij is gekomen? Want als dat zo is wat doen we dan met de oproep van Jezus: De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij. Kom tot inkeer, hecht geloof aan dit goede nieuws.
Er gaat een enorme urgentie uit van de oproep van Jezus. 
Kom tot inkeer, hecht geloof,
jij daar, volg mij!

De vraag is of wij die roepstem van God, van Jezus wel altijd horen en verstaan. Je kunt zo druk zijn met je werk, met je dagelijkse leven – het uitwerpen en herstellen van de netten – dat je die roepstem helemaal niet hoort. Of niet wil horen, wan het heeft nogal wat consequenties. Het is een thema in de Bijbel dat God soms maar moeilijk tot ons doordringt. 

Zoals in het verhaal van Samuel. Net als Eli en Samuel leven wij in een tijd – maar is dat niet van alle tijden? – dat de godslamp bijna is uitgedoofd. De glans is eraf. De inspiratie gedoofd? Een groot deel van de mensen om ons heen gelooft niet in God. Het is een donkere tijd. Met oorlogen, dreiging van oorlogen. De verdeeldheid over migratie en asiel. De klimaatverandering die zo angstig snel gaat. Er klinken net als in de tijd van Samuel ook in onze tijd zelden woorden van de Eeuwige. Of misschien luisteren wij niet goed genoeg?

De Bijbel wijs ons de weg om de roepstem van God te herkennen in de kakafonie van stemmen en tegenstemmen. Een stem die ons oproept om ons om te keren en voortaan de weg van de meeste weerstand te gaan, van dienen in plaats van heersen. Om onze naaste lief te hebben. De vluchteling, de weduwe en de wees. Een stem die ons oproept om naar de binnenkant, de geest, de intentie te kijken in ieder mens en niet naar de buitenkant. Ook niet naar de buitenkant de letterlijkheid van teksten. Een stem die ons bewust maakt van het onrecht in de wereld. Die ons keer op keer de wet van de liefde leert Het is een andere wereldorde, een wereld van een andere orde, waar die stem ons toe oproept. Door die stem te volgen wordt het koninkrijk onder ons zichtbaar. Het is een stem die ons leven zal verstoren, zoals het leven van die leerlingen. 

Een stoorzender.
Er is dus moed voor nodig om te zeggen

Hier ben ik, 
Spreek HEER uw dienaar luistert…

 Afbeelding: John Baldessari, Beethoven’s Trumpet (with ear) 2006, Saatchi gallery Londen, foto Jaap van Werkhoven